Organisatie voor pachters, eigenaren, grondgebruikers en erfpachters

Lid Worden van BLHB

Wordt ook lid van BLHB

De Krim | 02-09-'14

door: jvm

Akkoord van Spelderholt.

Naar aanleiding van het evaluatierapport inzake de pacht van prof. Bruil is een vertegenwoordiging van pachters en verpachters met elkaar in overleg getreden om de knelpunten in de pachtwetgeving te bespreken en mogelijk tot een alternatief voorstel te komen. Hieruit is een deelakkoord ontstaan. Het zgn. akkoord van Spelderholt.

Het deelakkoord is gebaseerd op voorstellen die mr. W.L. Valk, voorzitter van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en van de Centrale Grondkamer, heeft voorbereid in samenwerking met mr. G.M.F. Snijders, advocaat en oud-hoogleraar agrarisch recht, en mr. R. Verbakel-van Bommel, agrarisch jurist. De basis van het akkoord is gelegd tijdens een bijeenkomst op 27 juni 2014 in kasteel Spelderholt te Beekbergen. Dit akkoord wordt dan ook aangeduid als het ‘akkoord van Spelderholt’. Waar geen overeenstemming over is, heeft betrekking op het overgangsrecht, dat wil zeggen: de positie van de huidige systematiek en pachters ten opzichte van de voorgestelde nieuwe systematiek en inhoud van het nieuwe recht. Er bestaat geen overeenstemming over het overgangsrecht met betrekking tot de prijs voor bestaande reguliere pachtovereenkomsten (punt 15 van de bijlage Hoofdlijnen van voorstel voor vernieuwd pachtrecht). Volgens enkele van de partijen worden zittende pachters door de voorgestelde regel van overgangsrecht onvoldoende beschermd en behoort de positie van bestaande pachtbedrijven geheel en al ongemoeid te worden gelaten. Volgens anderen beschermt de voorgestelde regel van overgangsrecht de zittende pachters en hun bedrijfsopvolgers juist te verregaand.

Namens de BLHB zijn voorzitter Van der Eijk en bestuurslid Meijer aanwezig geweest bij deze besprekingen. De voorstellen om te komen tot een nieuw pachtrecht lijken op enkele punten minder bescherming te bieden aan de pachter, maar heeft nog veel kenmerken in zich die de pachter bescherming bieden, met name de vormen die in de plaats treden van de verdwijnende liberale pacht. In vergelijk met de voorstellen van Bruil is dit akkoord een positieve wending aan een proces van verregaande liberalisering van het pachtrecht en bescherming van de pachter.

 De nu navolgende tekst is de letterlijke overname van het deelakkoord. Dit is inmiddels ter kennis gebracht van het ministerie. Deze zullen na een consultatieronde hierop reageren.

Hoofdlijnen van voorstel voor vernieuwd pachtrecht

 

1. De reguliere pacht blijft, zij het dat één belangrijke verandering wordt voorgesteld: de aanvangsprijs wordt vrij. De markt kan aldus zelf de prijs bepalen die past bij de bedrijfszekerheid die de reguliere pacht pachters biedt (de praktijk zal kiezen voor een aanvangsprijs met indexering). Reguliere pacht blijft voor tenminste 12 jaar voor hoeves en 6 jaar voor los land. De verpachting voor korte duur met toestemming van de grondkamer vervalt.

2. De geliberaliseerde pacht en de reguliere pacht voor korte duur met goedkeuring van de grondkamer gaan op in een nieuwe vorm, namelijk flexibele pacht.

3. Flexibele pacht biedt de pachter, net als nu geliberaliseerde pacht, geen continuatierecht, geen mogelijkheid van indeplaatsstelling en ook geen voorkeursrecht.

4. Flexibele pacht wordt ook mogelijk voor hoeves en gebouwen (waaronder kassen en losse stallen).

5. De prijs van flexibele pacht is niet vrij (ook niet voor overeenkomsten van 6 jaar en korter) en ligt benéden de gemiddelde pachtprijs voor reguliere pacht respectievelijk de hierna te noemen loopbaanpacht. Dat verschil ligt tussen 10% respectievelijk 5% (contract langer dan 20 jaar) en 30% respectievelijk 25% (contract korter dan 5 jaar), in een glijdende schaal.

6. Teeltpacht blijft en is bedoeld voor eenjarige en meerjarige teelten waarmee relatief hoge rendementen kunnen worden behaald. De pachtprijs van teeltpacht blijft vrij.

7. Naast de vernieuwde reguliere pacht, de flexibele pacht en de teeltpacht komt er een nieuwe pachtvorm, namelijk de loopbaanpacht. Kenmerkend voor loopbaanpacht is dat de overeenkomst wordt aangegaan voor tenminste 25 jaar én niet eindigt vóór de AOW-gerechtigde leeftijd van de pachter. Er bestaat bij loopbaanpacht geen continuatierecht en de prijs is vrij. Indeplaatsstelling is weliswaar mogelijk, maar leidt niet tot een andere einddatum (doorgaans de AOW-gerechtigde leeftijd van de oorspronkelijke pachter). Voor het overige gelden voor de loopbaanpacht zoveel mogelijk dezelfde regels als voor reguliere pacht. Tot de contactsvrijheid van partijen omtrent de prijs behoort ook dat zij kunnen overeenkomen dat de pachtprijs tussentijds wordt herzien of kan worden herzien.

8. De pachtvorm pacht van kleine oppervlakten, waarvoor volledige contractsvrijheid geldt, blijft bestaan. Reservaatspacht en verpachting door openbare lichamen vervallen. Beheersverplichtingen zoals die nu in het kader van de reservaatspacht worden overeengekomen, zijn binnen alle pachtvormen toegelaten.

9. Alle pachtovereenkomsten moeten ter registratie naar de grondkamer worden gezonden (geeft inzicht in de hoogte van pachtprijzen, van belang voor de hierna bedoelde pachtprijstoetsing respectievelijk –herziening; statistische gegevens over overeengekomen pachtprijzen zijn openbaar). Het vastrecht voor deze registratie zal veel lager kunnen liggen dan het huidige vastrecht voor het inzenden van pachtovereenkomsten ter goedkeuring. De huidige sancties op het niet (tijdig) inzenden gelden voor alle pachtvormen: de verpachter kan geen rechtsvordering instellen tot het betalen van de pachtprijs, en de pachtovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd en gaat in met ingang van het jaar na inzending.

10. De huidige toetsing door de grondkamer vindt straks alleen nog plaats op verzoek van een contractspartij (in de praktijk veelal de pachter), tegen betaling van een aanvullend vastrecht voor de verzoekende partij. Het verzoek kan meteen bij het inzenden worden gedaan, maar ook nog tot één jaar na het aangaan van de pachtovereenkomst, met dien verstande dat wanneer de overeengekomen duur één jaar is of korter, de termijn zes maanden bedraagt. Is de pachtovereenkomst niet binnen twee maanden na het aangaan ter registratie naar de grondkamer gezonden, dan kan de toetsing worden verzocht binnen één jaar respectievelijk zes maanden nadat de overeenkomst alsnog naar de grondkamer is gezonden, maar niet meer nadat de pachtovereenkomst tussen partijen is geëindigd.

11. Bij toetsing geldt voor alle pachtvormen dat door de grondkamer kan worden getoetst of bepalingen in strijd zijn met dwingend recht. Bij flexibele pachtovereenkomsten kan bovendien de hoogte van de pachtprijs worden getoetst. Bij teeltpacht kan worden getoetst of de overeenkomst terecht als teeltpacht is gekwalificeerd. Is dat niet het geval dan wordt getoetst als een flexibele pachtovereenkomst. Bij loopbaanpacht wordt getoetst of de overeenkomst inderdaad als loopbaanpacht gekwalificeerd kan worden. Is dat niet het geval dan wordt getoetst als een flexibele pachtovereenkomst.

12. Als de pachtprijs van een flexibele pachtovereenkomst wordt getoetst (omdat de pachter om toetsing heeft verzocht), vergelijkt de grondkamer de door partijen overeengekomen pachtprijs met de gemiddelde pachtprijs voor reguliere pacht voor (zoveel mogelijk) vergelijkbare pachtobjecten in de regio. Vervolgens wordt op dit gemiddelde  de onder 5 bedoelde korting toegepast. In de beginperiode van het nieuwe stelsel, wordt zolang er onvoldoende gegevens zijn om de gemiddelde pachtprijs voor nieuwe reguliere pachtovereenkomsten te kunnen bepalen, uitgegaan van 2% van de vrije verkeerswaarde bij voortgezet agrarisch gebruik minus de onder 5 bedoelde korting. Wat betreft een door partijen overeengekomen indexering is voor de grondkamer de toets wat gebruikelijk is.

13. Na verlenging van een reguliere pachtovereenkomst, kan eventueel door een partij om  herziening van de pachtprijs worden verzocht. Het herzieningsverzoek is alleen ontvankelijk indien zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (ten opzichte van de uitgangspunten die partijen bij de aanvang in hun overeenkomst hadden verdisconteerd) die een vaststelling van een nieuwe pachtprijs rechtvaardigt. Dit is een minder strenge maatstaf dan die van de in art. 6:258 BW bedoelde “onvoorziene omstandigheden”, in verband met het feit dat bij reguliere pacht sprake is van een rechtsverhouding die na afloop van de overeengekomen duur kan worden verlengd, en waarbij de pachter door een derde kan worden opgevolgd. Als van gewijzigde omstandigheden sprake is, is de maatstaf voor de nieuwe pachtprijs de gemiddelde pachtprijs voor vergelijkbare reguliere pachtobjecten in dezelfde regio. Daarbij moet echter ook worden gelet op de uitgangspunten van partijen bij het sluiten van de overeenkomst.

14. Voor bestaande reguliere pachtovereenkomsten is de pachtprijs voor land af te leiden van het gemiddelde van de pachtprijzen sinds 2007, te vermeerderen met een index die wordt afgeleid van de prijsontwikkeling van agrarisch onroerend goed (daarmee horen de huidige pieken en dalen tot het verleden). Het landelijk gemiddelde van de pachtprijzen voor het eerste jaar volgens de nieuwe systematiek is niet hoger of lager dan het landelijk gemiddelde van de pachtprijzen van het jaar ervoor, behalve volgens hetgeen past bij de ontwikkeling van het prijspeil. De prijssystematiek van de prijs voor agrarische woningen en bedrijfsgebouwen blijft ongewijzigd.

15. Op termijn geldt ook voor bestaande reguliere pachtovereenkomsten de mogelijkheid van herziening volgens punt 14. De prijs wordt echter uitsluitend volgens de hiervoor bedoelde index herzien voor:

  • de ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zittende pachters en medepachters;
  • degenen ten behoeve van wie binnen vier jaar na inwerkingtreding de indeplaatsstelling of de medepacht is gevorderd, en de desbetreffende vordering wordt toegewezen;
  • degenen die de pachtovereenkomst als erfgenaam hebben voortgezet doordat de ten tijde van de inwerkingtreding zittende pachter of medepachter binnen zes jaar na de inwerkingtreding is overleden.

Voor deze pachters blijft de huidige pachtprijs dus op relatief hetzelfde niveau (relatief, want meebewegend met de prijsontwikkeling van agrarisch onroerend goed).

16. In de tekst van de huidige Titel 7.5 BW dienen enkele fouten en onduidelijkheden te worden verbeterd (vergelijk Bijlage 1 bij het evaluatierapport van Bruil). Het gaat daarbij met name om:  

  • het aan de grondkamer ‘teruggeven’ van de bevoegdheid om te beslissen over de vervangende machtiging van art. 7:350 BW (melioratierecht);
  • het verbeteren van de regeling inzake het voortzetten van de pacht na het overlijden van pachter of verpachter (art. 7:366 BW);
  • het weer opnemen van de AOW-gerechtigde leeftijd als grond voor opzegging van reguliere pachtovereenkomsten;
  • het in de opzeggingsgrond ‘voorgenomen eigen gebruik’ toevoegen van de woorden ‘voor de landbouw’;
  • het weer opnemen van de verplichting tot schadeloosstelling van de pachter in het geval dat een pachtovereenkomst met succes is opgezegd in verband met een wijziging van de bestemming;
  • het toevoegen van de woorden ‘met betrekking tot het gepachte’ in art.7:370 lid 1 sub b BW;
  • het schrappen van art.7:380 lid 1 sub d, zodat de bevoegdheid om te beslissen over de vraag of de verpachter een ernstige reden heeft om het voorkeursrecht van zijn pachter te passeren, weer is voorbehouden aan de grondkamer (en niet ook aan de pachtkamer).

17. Bedrijfsopvolgers en starters in de landbouw zullen flankerend beleid nodig hebben om mee te kunnen doen in de markt voor nieuwe reguliere pachtovereenkomsten en loopbaanpachtovereenkomsten. Het ligt voor de hand dat dit flankerend beleid wordt gerealiseerd door een of meer nieuwe fiscale faciliteiten voor bedrijversopvolgers en starters.

18. Ook de fiscale behandeling van verpachters verdient aandacht, in het bijzonder de vermogensrendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting.

19. Het verdient aanbeveling om duurzaam grondgebruik in de vorm van reguliere pacht en loopbaanpacht te stimuleren door eveneens maatregelen in de belastingregelgeving (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting).

 

Bijlage:

Tabellen met betrekking tot pachtvormen en overgangsrecht

De belangrijkste pachtvormen van het nieuwe stelsel in hoofdlijnen

Reguliere pacht (nieuw)

Loopbaanpacht

Teeltpacht

Flexibele pacht

Hoeves, gebouwen en los land

Hoeves, gebouwen en los land

Alleen voor los land en voor een- en meerjarige teelten waarmee een relatief hoog rendement wordt behaald

Hoeves, gebouwen en los land

Duur van eerste termijn minimaal 12 jaar voor hoeves en 6 jaar in andere gevallen

Tenminste voor 25 jaar en bovendien niet eindigend voor de AOW-gerechtigde leeftijd van de pachter

Voor de duur van de teelt

De duur kan vrij door partijen worden bepaald

Continuatie- en indeplaatsstellingsrecht

Alleen indeplaatsstellingsrecht (indeplaatsstelling verandert echter niets aan het moment waarop de pachtovereenkomst eindigt)

Geen continuatie- of indeplaatsstellingsrecht

Geen continuatie- of indeplaatsstellingsrecht

Aanvangsprijs en indexering vrij te bepalen; herziening van de pachtprijs is alleen bij verlenging mogelijk op grond van gewijzigde omstandigheden die herziening rechtvaardigen

Aanvangsprijs en indexering vrij te bepalen; herziening van de pachtprijs door de grondkamer is niet mogelijk (voor uitzonderlijke gevallen biedt art. 6:258 BW een oplossing); partijen kunnen wel een tussentijdse herziening van de pachtprijs overeenkomen

Prijs vrij te bepalen

Prijstoetsing door de grondkamer op verzoek; de maximumprijs ligt tussen de 10% en 30% beneden de gemiddelde pachtprijs van nieuwe reguliere pachtovereenkomsten, afhankelijk van de duur

 

Overgangsrecht wat betreft de pachtprijs van bestaande reguliere pachtovereenkomsten

Situatie 1: de pachter heeft geen bedrijfsopvolger

Situatie 2: er is een bedrijfsopvolger die reeds medepachter is

Situatie 3: er is een bedrijfsopvolger, maar die is nog geen (mede)pachter

Situatie 4: de zittende pachter overlijdt en het bedrijf wordt door de erfgenamen voortgezet

Zolang de huidige pachter pachter blijft, geldt als pachtprijs het gemiddelde van de pachtprijzen sinds 2007, geïndexeerd op basis van de prijsontwikkeling van agrarisch onroerend goed; de huidige pachtprijs blijft dus op relatief hetzelfde niveau

Het principe dat de huidige pachtprijs op relatief hetzelfde niveau blijft, geldt ook voor de medepachter (het geldt zelfs ook voor de bedrijfsopvolger van deze medepachter, mits binnen vier jaar na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel indeplaatsstelling of medepacht wordt gevorderd en die vordering wordt toegewezen)

Het principe dat de huidige pachtprijs op relatief hetzelfde niveau blijft, geldt ook voor de bedrijfsopvolger, mits binnen vier jaar na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel indeplaatsstelling of medepacht wordt gevorderd en die vordering wordt toegewezen

Indien de pachter overlijdt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, geldt ook voor de erfgenamen van deze pachter dat de huidige pachtprijs op relatief hetzelfde niveau blijft